Ieder mens maakt een lange ontwikkeling door. Die ontwikkeling begint bij de geboorte en eindigt in principe niet; je blijft je hele leven leren en veranderen. In de opvoedkunde wordt echter wel van een einde in de ontwikkeling gesproken. Hiermee wordt bedoeld dat de ontwikkeling stopt op het moment dat de mens eigen verantwoordelijkheid heeft genomen van zijn eigen doen en laten, op eigen kan benen staan en onafhankelijk is.

De ontwikkeling vindt plaats zowel op geestelijk als op lichamelijk vlak. Deze twee zijn wel van elkaar te onderscheiden, maar niet te scheiden. De mens ontwikkelt zich als geheel, in zijn totaliteit. Er wordt dan ook gesproken van de psychosomatische ontwikkeling van de mens: alles hangt met elkaar samen. Het kind maakt allerlei ontwikkelingen door. Deze ontwikkeling verloopt per individu in een eigen tempo. Soms leert het heel snel, maakt het allerlei veranderingen door. Dan staat het weer een tijdje stil, valt misschien zelfs een beetje terug om het geleerde te verwerken, en gaat dan weer verder. Behalve deze individuele ontwikkeling zijn er ook ontwikkelingsfasen te onderscheiden. Dit zijn kenmerken per leeftijdsgroep. Zij geven de accenten aan die in een bepaalde periode de hoofdrol spelen.

We gaan in op vier ontwikkelingsterreinen: verstandelijk, lichamelijk, sociaal en emotioneel. In de beschrijving beginnen we met de peuter/jonge kleuter om de relatie van de voorgaande periode met de beverleeftijd te schetsen. Deze module bestaat uit drie delen. Het eerste deel gaat over de beleving van het spel, het tweede over de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Het derde deel gaat over ander gedrag of problematisch gedrag waar je mee te maken kunt krijgen en waar je rekening mee moet houden. In het eerste deel gaat het over de ontwikkeling van kinderen en jongeren in de diverse speltakken. Om de ontwikkeling overzichtelijk te maken, is gewerkt met schema’s. Je kunt het schema dat van toepassing is snel lezen om een beeld te krijgen van de typische kenmerken van de leeftijdsgroep waarmee gewerkt wordt. In de rechterkolom is te lezen waar leidinggevenden aandacht aan kunnen besteden.

 

Door bestudering van deze module wordt basale kennis van het ontwikkelingsniveau van kinderen in de betreffende speltak verkregen. Met deze kennis zijn leidinggevenden in staat pedagogische veiligheid te bieden. In elke speltak kan ander gedrag, problematisch gedrag, voorkomen. Om inzicht te krijgen in de uitingen van ander gedrag is dit onderwerp beschreven in het tweede deel van de module. Door kennis te verkrijgen over dit gedrag kan in het schrijven van het jaarplan en de spelprogramma’s rekening worden gehouden met de gewenste aanpak. Bij ander gedrag wordt ook beschreven welke basale pedagogische aanpak wenselijk is.

 

Het is en blijft belangrijk om over de ontwikkeling en voorkomend ander gedrag met het team en waar noodzakelijk met de groepsbegeleider of het bestuur te overleggen. Bespreek visie, standpunten en aanpak met elkaar om duidelijkheid te krijgen en pedagogische veiligheid te garanderen.

Competenties

Na het doorlopen van deze module:

• weet je wat de kenmerken zijn van de ontwikkelingsfasen;

• weet je wat het verband is tussen het spel en de ontwikkeling passend bij de leeftijd;

• kun je inschatten wat voor jouw speltak en de speltakken onder en boven je, relevante leeftijdsontwikkelingen zijn.